De klokken van de toren sloegen zes keer

De klokken van de kerktoren sloegen zes keer toen we in het hostel, waar we de avond tevoren laat waren aangekomen, overeind schoten. De mis begon om 07.00 uur, en daar wilden we bij zijn. Met nog slaperige ogen hoorde ik de priester ons in het Frans succes wensen voor een tocht die al eeuwenlang wordt gevolgd.

De klokken van de kerktoren sloegen zes keer toen we in het hostel, waar we de avond tevoren laat waren aangekomen,  overeind schoten. De mis begon om 07.00 uur, en daar wilden we bij zijn. Met nog slaperige ogen hoorde ik de priester ons in het Frans succes wensen voor een tocht die al eeuwenlang wordt gevolgd. Via een groot luik liepen we de kerk uit naar buiten, de trappen af, het dorpje in, waar de kronkelende bergwegen op ons wachtten. 

De eerste dag liepen we 15 kilometer, heuvel op, heuvel af. Het was zwaar. En tegelijkertijd was het helemaal niet zwaar, als ik had geweten wat me nog te wachten stond. Die eerste dag ging mijn waterzak kapot en lag er onder mijn backpack een plasje water. Ik was blij dat ik niet wist waar ik aan begonnen was. 

Terwijl de wegen zich eindeloos voor me uitstrekten, dacht ik na over alle facetten van mijn leven. Interesses, hobby’s, vrienden en familie. Over wie ik dacht te zijn en waar ik naartoe wilde. Ik stelde me voor dat ik na het wandelen van de Camino de Santiago mijn leven uitgestippeld had en dat ik alle vragen die ik mezelf had gesteld, had beantwoord. Stap voor stap. En nog eens stap voor stap. Ik verplichtte mijn hersenen na te denken, terwijl ik me naarmate de weken verstreken steeds meer oog begon te krijgen voor de omgeving. Ik begon de bewegingen van de natuur te herkennen en de diversiteit in kleuren. De bomen leken te glimlachen  en ik ging steeds meer mee in het ritme van de dag. Nadenken kwam later wel. Ik vergat de maatschappij, de verplichtingen die doorgaans mijn leven bepaalden, en de zorgen over de actualiteit. Ik werd steeds meer onderdeel van een omgeving waar sereniteit en rust voorop stonden. 

Ik liet me meevoeren naar onbekende plekken, naar de vrijheid om in het hier en nu te leven. Overgave aan pijntjes die ik voelde, de natuur en het sobere bestaan. Na 425 kilometer gewandeld te hebben, een kwart van de tocht, waren we onderweg naar de Pyreneeën. In de verte zagen we de toppen liggen. 

Ik was altijd al een groot fan van Frankrijk. Of het nu kwam doordat mijn familie een camping in Frankrijk had en wij daar bijna jaarlijks naar toe gingen én ik daardoor ook een camping wil, of door het kleurenpalet van groene weiden en bossen tot zonnebloemvelden en luiken in kleine dorpen. Erdoorheen wandelen liet me beseffen dat vertragen je blik verbreedt. Stap voor stap, zonder gehaast, werkelijk kunnen opnemen. 

De heupriem van mijn rugzak begon op z’n strakst te zitten en schuurde pijnlijk over mijn uitstekende heupen. Blaren ontwikkelden zich en ik kreeg last van mijn linkerbeen dat doorstraalde naar mijn knie. Ik masseerde ‘s avonds mijn spieren en drukte op mijn heupen alsof ik daarmee de pijn kon wegduwen. Het hielp niet; sterker nog, het werd erger. Verstopt in mijn rugzak vond ik een klein potje etherische olie, bijna vergeten dat ik die had meegenomen. Gekregen van een vriendin. Ik liet wat druppels op mijn heup vallen en wreef het uit. Drie dagen herhaalde ik dit ritueel. Wonder boven wonder bleek het te helpen. De pijn verlichtte en na vier dagen liep ik als herboren.

De Pyreneeën bleken enorme bergketens te zijn. Niet alleen fysiek, maar ook in mijn gedachten. ‘Als ik de Pyreneeën maar over ben, dan komt alles goed.’ In mijn hoofd kwamen duizenden gedachten voorbij, omdat ik gesprekken opving van andere pelgrims die zich zorgen maakten  over deze bergpas. Na vijf weken voelde ik me fitter dan ooit, dus wat kon er mis gaan? We zochten een slaapplek in St. Jean Pied de Port, waar nog veel meer andere pelgrims hun start zouden maken naar Santiago. Ik was blij dat we op de helft waren van onze tocht, maar dat betekende ook dat ik het sobere en rustige wandelen door de Franse schoonheid moest achterlaten. Spanje zou levendiger en ruwer zijn.

Daarboven op de Pyreneeën, waar de Franse grond plaatsmaakte voor het Spaanse temperament, keek ik nog een laatste keer om. Naar de beklimming en de bergtoppen in de verte. Een schimmige deken viel over de bergpassen waar ik kilometers mijn voetafdruk had neergezet. Een levendig schilderij waar het kronkelpad zich vorderde naar de hoogste top, of juist het diepste dal, want die kwam snel daarna. Omdat je toch al 800 kilometer gelopen hebt, nu midden op de Pyreneeën staat en vervolgens weet je dat er nog 800 kilometer in Spanje op je wachten. Vredig maar ook ruw. Vijf weken geleden waren we vertrokken vanuit Frankrijk, uitgestorven en achter de luiken verscholen. Paden zonder leven, waardoor de bomen zachtjes begonnen te praten bij onze komst. Wiegend heb ik me laten meevoeren, terwijl de benen jammerden. Maar dat zijn we alweer vergeten. Ik onthoud de enige cappuccino die we dronken in een dorpje ergens daar, en het fijne van al dat alleen zijn, de zelfbedachte ‘namiddagborrel’ wat betekende dat dagelijks een fles wijn open ging, de ochtendglorie en de eerste geluiden van een tractor, de bramen en vijgen onderweg, het gevoel even in die ‘andere wereld’ te mogen zijn en een week mochten uitkijken naar de grens; de helft, terwijl we tegelijkertijd genoten van de kleine stapjes onderweg. Met schapen langs ons en lachbuien achteraf, omdat je eigenlijk te moe bent om nog iets te doen wanneer je 30 kilometer door het groen hebt gebanjerd.

Maar Spanje was nieuw, nieuw leven en nieuwe energie. Spanje was daar. Mijn favoriete Spanje. Ik hou echt van Spanje. De taal, de cultuur, het eten, de woestijnachtige gebieden en middeleeuwse dorpen, tot aan de ruwe kustlijn en eilanden waar de stranden het mooist zijn.

In Spanje moest ik kiezen. De Camino de Francesa gaat van St. Jean Pied de Port naar Santiago, recht door het binnenland. De Camino del Norte gaat langs de kustlijn via San Sebastian en Bilbao naar Santiago. In Frankrijk werd er gewaarschuwd over deze kustlijnroute. Het was namelijk al oktober en veel herbergen zouden dicht zijn, het kon gevaarlijker zijn en de bewegwijzering niet altijd zichtbaar. Pelgrims konden verdwalen of geen herberg vinden voor de nacht. Hoewel ik dat aanhoorde en mijn hoofd daarop reageerde met “dan lopen we toch gewoon Camino de Francesa,” riep mijn hart dat ik juist dat avontuur wilde beproeven. Iets in mij borrelde en leek teleurgesteld bij het idee om recht door Spanje te wandelen terwijl er een ruwe diamant op mij wachtte. Tegen ieders adviezen in, behalve die van mijn pelgrim-maatje Pleun, die mij ten volle steunde, pakte ik de bus naar San Sebastian. Een interessante, leerzame keuze, bleek achteraf.

Een nieuwe lichtinval begroette me alsof ze had gewacht. Het harde klotsende geluid van golven tegen de rotsen, vissersbootjes die het water op gingen. De zoute zilte zeelucht en de oneindige leegte. De afgrond langs de kliffen, maar ook de route die ineens over het losse zand ging. Op blote voeten door de overstroming terwijl de rugzak gevuld met rijst en eieren mijn schouders belastte. De frisheid waarmee ik mijn longen vulde. Nergens zag ik zo mooi een zonsondergang en helderblauwe zee, dorre en bruine woestijngebieden en de taal waar ik zo van hou. Ik ontmoette mensen die ik nergens anders had kunnen ontmoeten en we dronken bier in een plaatselijke kroeg om vervolgens met zere voeten naar de herberg terug te kruipen. 42 kilometer die dag. Dan mag het. Maar ik voelde ook een opening. Ruimte, lucht om te ademen. Daar, in dat Spaanse temperament.

Een van mijn favoriete teksten die ik ooit las, hield ik in mijn achterhoofd: “Wij allemaal, mensen of dieren, scheppen een soort ‘magische ruimte’ om ons heen. Over het algemeen is het een cirkel met een straal van een meter of vijf. Alles wat daarbinnen valt, daar letten we op, of het nu mensen zijn, telefoons of etalages. Zo proberen we vat te hebben op de kleine wereld die we zelf scheppen. Maar magiërs kijken altijd in de verte. Zij vergroten deze ‘magische ruimte’ en proberen veel meer dingen onder controle te hebben. Ze noemen dat ‘de horizon schouwen.’” Ik voelde me voor heel even een magiër, die na zes klokken van de toren de tocht aanschouwde als een reis zonder einde.